Ondergronds is er een heiligdom tegen geschut buiten. Verbindingstroepen afgeknepen, hier ben ik, zonderling. Met naslagwerk bewapend en kroontjespen in gitzwarte inkt, morrelend aan getande taal der Nachtdier-kornuiten. Des te vaker de trappen worden afgedaald naar dit diep vertrek waar van schappen vol gevulde schedels hen glorie wordt bestudeerd, te meer het besef waar ruimte voor volledig leven en vrede heerst. Een vuur zonder strijd, enkel een Genesis die werpt. Boven raast écht geweld, vliegtuigbommen, granaatinslagen. Klimaatactivisten die worden gedoopt met waterkanonnen. Winstuitkeringen van bedrijven die diplomatiek worden bezongen over kromme ruggen van het volk dat kruisen moet dragen. En ik, de taalpoetser die overpeinzingen de wereld in schiet. Een handvol eigen heiligheid in vier kwatrijnen heb opgetekend. Bij ochtendlicht weerzie hoe arbeid tot plicht werd verheven. Kan dan geen schoner weldaad bedenken dan hetgeen hier ziedt.
